home
Wet Maatschappelijke Ondersteuning
“Convenant over WMO”Wet Maatschappelijke Ondersteuning

Convenant over WMO

De verzekeraars hebben een convenant gesloten met de gemeenten over de WMO (Wet Maatschappelijke Ondersteuning). Verzekeraars willen niet meer de kosten van huishoudelijke hulp vergoeden als een slachtoffer van een ongeval die hulp nodig heeft. Volgens de verzekeraars moet hij/zij eerst bij de gemeente aankloppen voor huishoudelijke hulp.

Letselschade advocaten zijn van mening dat de hulp die de gemeente geeft, op grond van de WMO, lang niet altijd passend is. In een notitie van de ASP, geschreven door o.a.  mr. Ed Klungers wordt uitgelegd wat dit convenant betekent voor slachtoffers.

Hieronder vindt u de memo van de ASP:

ASP-MEMO

Convenant Verbond van Verzekeraars en de VNG inzake WMO 2015

In augustus 2015 hebben de verzekeraars en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten een overeenkomst gesloten naar aanleiding van het feit dat in artikel 2.4.3. van de WMO 2015 is bepaald dat de gemeente een regresrecht heeft op de schadeplichtige voor de kosten die de gemeente heeft gemaakt op grond van de WMO 2015. Op grond van artikel 2.4.4. van de WMO 2015 heeft de VNG de bevoegdheid om een overeenkomst te sluiten met verzekeraars waarbij een afkoopsom wordt betaald voor dit regresrecht. Deze overeenkomst is aangegaan voor een periode van 2 jaar. Elf gemeenten hebben er voor gekozen deze overeenkomst niet te ondertekenen. In de oude WMO was geen bepaling opgenomen omtrent het regresrecht.
Wat is het belang van deze overeenkomst voor de letselschadepraktijk? In hoeverre is het convenant van invloed op de rechten van gelaedeerden die hun schade verhalen op een verzekeringsmaatschappij?
Verzekeraars beroepen zich op deze overeenkomst en stellen dat zij de schade van de benadeelde, zoals kosten voor huishoudelijke hulp, aanpassingen van woningen et cetera, niet hoeven te vergoeden, althans dat de benadeelde éérst een beroep moet doen op de WMO 2015. In dit memo stellen wij ons op het standpunt dat de benadeelde niet gehouden is om uit hoofde van de schadebeperkingsplicht een beroep te doen op de WMO 2015 indien hij schade lijdt als gevolg van een ongeval waarvoor de verzekeraar aansprakelijk is. De overeenkomst tussen de verzekeraars en de gemeenten raakt de vergoedingsplicht van de verzekeraars jegens de benadeelde in beginsel niet. Het is een overeenkomst tussen de verzekeraars en de VNG en kan om die reden niet in de rechten van benadeelden treden.
De verzekeraar beroept zich naast het argument van de voorliggende voorziening nog op de schadebeperkingsplicht van de benadeelde (art. 6:101 BW) en stelt dat de benadeelde ook om die reden gehouden is om een beroep te doen op de WMO.
Het uitgangspunt in het schadevergoedingsrecht is dat het slachtoffer zo veel mogelijk gebracht moet worden in een positie zonder dat de schadeveroorzakende gebeurtenis zou hebben plaatsgehad (met andere woorden: herstel in de oude situatie). Schade dient daarnaast volledig vergoed te worden. Het gaat om het herstel in de oude feitelijke situatie, aansluitend op de levensstandaard van de benadeelde en passend voor zijn situatie. Het slachtoffer hoeft geen genoegen te nemen met de goedkoopste voorziening (zie o.a. Hof Leeuwarden 30 december 1998, VR 1999,66). Het slachtoffer heeft recht op adequate hulp en sociale voorzieningen zijn voor het slachtoffer niet altijd adequaat ( zie o.a Hof Amsterdam 25 juni 1998, VR 1999,65).
Het uitgangspunt in de WMO 2015 is, net als voorgaande sociale wetgeving (WMO-oud en AWBZ), dat men ”weer mee kan doen.” Dat is duidelijk een ander criterium dan “herstel in de oude situatie”. De WMO kent dan ook diverse restricties. Bij een beroep op een voorziening krachtens de WMO is sprake van een zeer lange wachttijd en er wordt een beperkte indicatie gehanteerd. Er moet sprake zijn van een verzoek om gebruikelijke zorg. Indien er sprake is van mantelzorg komt men niet in aanmerking voor een voorziening krachtens de WMO. Er zijn derhalve vele situaties denkbaar dat een benadeelde bij een beroep op de WMO een beperkte voorziening toegewezen krijgt. Denk bijvoorbeeld aan de toekenning van huishoudelijke hulp; men krijgt wel hulp toegewezen van de gemeente, maar slechts voor enkele uren per week, terwijl de vraag aantoonbaar groter is. In de loop der jaren zijn de voorzieningen die de gemeente verschaft alleen maar beperkter en basaler geworden, zodat het letselschade slachtoffer bij een beroep op de WMO regelmatig minder hulp krijgt dan hij of zij eigenlijk nodig heeft om weer in de oude situatie te raken. De levenspartner van de gelaedeerde zal vaak moeten bijspringen als het om huishoudelijke hulp gaat (mantelzorg). Een deel van de hulpvraag wordt dus afgewenteld op de partner. Al met al zijn de voorzieningen die de WMO
2.
biedt beperkt en biedt de WMO niet steeds een goede voorziening. Om die reden is de benadeelde ook niet steeds gehouden om een beroep te doen op de WMO. Het niet benutten van de WMO mogelijkheden kan, in het geval de WMO tot een minder passende voorziening lijdt, niet leiden tot het verwijt dat men er in het kader van de schadebeperkingsplicht verplicht een beroep op moet doen.
Stel dat het slachtoffer er toch voor kiest een beroep te doen op de WMO en dat de uitkomst is dat de WMO slechts gedeeltelijk een voorziening biedt voor de hulpvraag van de benadeelde. Zijn de verzekeraars in dat geval gehouden om afgezien van de WMO voorziening nog extra voorzieningen te bekostigen? Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin de gemeente een indicatie afgeeft voor 2 uur hulp per week, terwijl de benadeelde kan motiveren minstens 6 uur hulp per week nodig te hebben om in zijn oude situatie herstel te worden. Is het slachtoffer dan gehouden van én de WMO huishoudster gebruik te maken en daarnaast nog een andere hulppersoon in huis te ontvangen voor de resterende uren? Of mag het slachtoffer de WMO naast zich neerleggen en kiezen voor een particuliere hulp die meteen de totale hulpvraag invult? Het antwoord luidt dat een en ander toch naar redelijkheid besloten moet worden en dat primair gekeken moet worden naar de behoefte van het slachtoffer. De WMO voorziening is niet alles omvattend, sluit een benodigde aanvullende voorziening niet uit en de WMO voorzieningen kan onder omstandigheden zelfs helemaal buiten beschouwing worden gelaten als daardoor geen adequate voorziening wordt geboden.
In 2004 publiceerde Hartlief een artikel met de titel “Keuzevrijheid in het personenschade recht” (NJB 2004 p. 1832 e.v.) In dit artikel wordt ingegaan op de vraag of de benadeelde gebruik moet maken van de AWBZ voorzieningen omdat de verzekeraars de regressiemogelijkheden hebben afgekocht. Hoewel het hier een artikel betreft van 12 jaar geleden is het opnieuw actueel. Ook nu beroept de verzekeraar zich op een convenant met de gemeenten waarbij de verzekeraar de regresmogelijkheden heeft afgekocht. Hartlief stelt dat het aansprakelijkheidsrecht uitgaat van een volledige vergoeding en het sociaal zekerheidsrecht per definitie een beperkte vergoeding betreft, zowel in omvang als in tijd. Niet in het geding is dat het slachtoffer geen genoegen hoeft te nemen met zorg als dat voor hem niet passend is. Waarom zou dit dan anders zijn, aldus Hartlief, als de aansprakelijke partij met een derde partij afspraken heeft gemaakt over de onderlinge rechtsverhoudingen?
De indruk bestaat dat verzekeraars de indicatiestelling door gemeenten (die zoals hierboven gesteld vaak beperkt is) als maat willen nemen voor de door de verzekeraar te vergoeden hoeveelheid hulp die het slachtoffer vergoed krijgt. Dit is echter te kort door de bocht als de WMO voorziening niet of niet volkomen tegemoet komt aan het recht van het slachtoffer op volledige schadevergoeding en herstel in de oude situatie.
Het LSA symposium in 2004 was geheel gewijd aan het onderwerp “Schade: Vergoeden of beperken?”. Lindenbergh geeft in zijn bijdrage aan dat het slachtoffer geen genoegen hoeft te nemen met de goedkoopste voorziening of met de door de overheid verboden vangnet van sociale zekerheid. In de bijdrage van Mr. Chris van Dijk wordt uitvoerig ingegaan op de verhouding tussen de sociale zekerheid wetgeving en de civiele aansprakelijkheid. Hij geeft een genuanceerd oordeel maar geeft wel aan dat, nu de aansprakelijkheidsverzekeraars regres hebben afgekocht, het redelijk lijkt dat de benadeelde van de desbetreffende verstrekkingen gebruik maakt. Omdat de verzekeraars immers voor deze verstrekkingen in wezen al hebben betaald. Mijns inziens mag het afkopen van het regres niet de reden zijn dat de benadeelde gehouden is om op grond van zijn schadebeperkingsplicht een beroep te doen op die sociale voorzieningen, zeker als deze niet adequaat zijn.
In de letselschadepraktijk legden de verzekeraars zich er de afgelopen jaren bij neer dat voorzieningen in de sociale wetgeving zelden passend en adequaat waren voor de betrokken slachtoffers. Er werd steeds een maatwerkvoorziening voor het slachtoffer bekostigd. Nu echter het regresrecht in de WMO is opgenomen en het convenant is gesloten tussen het Verbond van Verzekeraars en de gemeenten, lijkt de discussie weer een nieuw leven te zijn ingeblazen. Gezien het bovenstaande is de vraag of dit terecht is.
3.
In dit verband wijzen wij naar de uitspraak van de rechtbank Gelderland d.d. 11 november 2015 (ECLI:NL:RBGEL:2015:6968) waarin het slachtoffer vergoeding vorderde van gemaakte kosten voor voorzieningen zoals huishoudelijke hulp en kosten voor verzorging/verpleging. De tegenpartij (in de uitspraak een geweldpleger) verweerde zich onder andere met de stelling dat het slachtoffer voor een vergoeding van die kosten een beroep had moeten doen op de WMO. De rechtbank wees dit verweer af met de argumentatie dat het de benadeelde vrij staat om schade op de aansprakelijke partij te verhalen. De rechtbank stelde dat de WMO juist wijst op de eigen verantwoordelijkheid van burgers, hetgeen ertoe leidt dat burgers pas een beroep kunnen doen op de WMO (overheid) in situaties die door burgers zelf onmogelijk kunnen worden geregeld. De rechtbank was derhalve de mening toegedaan dat het verhaal op de aansprakelijke partij zelf voorgaat en dat de overheidsvoorzieningen pas in beeld komen als de aansprakelijke partij zelf geen verhaal biedt.
De rechtbank Gelderland verwijst in de bovengenoemde uitspraak nog naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, die in een uitspraak van 19 juni 2013 (ECLI:NL:CRvB:2013:776) heeft geoordeeld dat een slachtoffer geen recht heeft op een vergoeding krachtens de WMO omdat er sprake was van een aansprakelijke partij, die voor deze kosten aansprakelijk was.
Weliswaar zijn bovengenoemde uitspraken niet gewezen in situaties waarin de WMO 2015 van kracht was, maar dat doet ons inziens niet af aan het oordeel in de huidige situatie. Hierboven hebben wij immers al betoogd dat het enkele feit dat er nu een regresrecht in de WMO is opgenomen en dat het Verbond van Verzekeraars en de gemeente een onderlinge afspraak hebben gemaakt, nog niet betekent dat de benadeelde zich door die afspraken moet laten leiden en dat de schadebeperkingsplicht niet leidt tot de situatie dat het slachtoffer verplicht gebruik moet maken van de WMO als de voorzieningen die de WMO biedt niet passend of niet volledig zijn.
Wij vrezen echter dat het bovenstaande onderwerp weer een veel voorkomend discussiepunt zal worden in letselschadezaken. Dit memo kan richting geven aan de discussie. Wij voorzien dat op niet al te lange termijn deelgeschilprocedures zullen volgen over dit onderwerp.
Ed Klungers
Jolanda van der Winden
namens de commissie Toegang tot het Recht van ASP
Het convenant is te vinden via: https://www.verzekeraars.nl/overhetverbond/zelfregulering/Paginas/Convenanten/Convenant-WMO.aspx

Boddaert Advocaten